Met mijn lief op zee

20 juni 2017

Soms zit het gewoon lekker mee. De langste dagen van het jaar en een droom van een zomerweer… Meer dan 16 uren zonlicht, onbetaalbare luxe. Op slag zijn ze vergeten, de jaren dat die magische zomerzonnewende aan ons voorbijgaat omdat het hier soms zo grijs is dat je echt bang zou worden dat de hemel je op de kop valt. Of de jaren dat de centrale verwarming nog brandt in juni, ’s morgens in de badkamer, tegen de ochtendkilte. Niet nu. Vlotjes klimt de temperatuur boven de 25°C en dit al dagen aan een stuk. Na een koele werkdag op kantoor -die airco hebben we toch niet voor niets- blijft het nog uren licht en daar willen we van genieten.

Gewoon trossen los, de havengeul uit en het water op. Het heerlijke van deze dagen is dat we het stukje zee voor onze thuishaven bijna voor ons alleen hebben, zo kort voor de zomergekte van juli en augustus. Onze speeltuin. We varen recht het zeegat in, de zon tegemoet. Om dan traag zeilend terug te keren richting havengeul, met vanuit de kuip eersteklas zicht op een machtige zonsondergang.

Koken laat ik voor wat het is. En toch genieten we van een toprecept. Een slaatje, wat garnaaltjes. Achter ons de zon die uit de paarsblauwe hemel traag de zee in zakt, slordige slierten dieporanje met zich mee slepend. Uit de boxen een heerlijke afspeellijst, bijeen gegrabbeld in een zomerse bui. Luid en wijd galmt onze muziek schaamteloos over het water, geen mens die het hoort behalve wij. Ik weet het, het is melig, maar melig klonk zelden zo goed. Eén nummer wil ik wel weggeven… Ze waren ooit tweede op het Eurovisie songfestival -1973 voor wie het echt wil weten- en op een enkele hispanofiel na kent niemand nog hun naam, maar vandaag winnen ze voor mij het festival van de langste dagen. Mocedades en hun onsterfelijke Eres tú…

Zet die volumeknop maar open…

Como una promesa, eres tú, eres tú
Como una manaña de verano
Como una sonrisa, eres tú, eres tú
Así, así, eres tú
Toda mi esperanza, eres tú, eres tú
Como lluvia fresca en mis manos
Como fuerte brisa, eres tú, eres tú
Así, así, eres tú
Como el agua de mi fuente
(algo así eres tú)
Eres tú el fuego de mi hogar
Eres tú como el fuego de mi hoguera
Eres tú el trigo de mi pan
Como mi poema, eres tú, eres tú
Como una guitarra en la noche
Todo mi horizonte eres tú, eres tú
Así, así eres tú

Als een belofte, ben jij, ben jij
Als een zomerochtend
Als een glimlach, ben jij, ben jij
Zo, zo, ben jij
Al mijn hoop, ben jij, ben jij
Als frisse regen in mijn handen
Als een sterke bries, ben jij, ben jij
Zo, zo, ben jij
Als het water van mijn fontein
(zo ben jij)
Jij bent het vuur in mijn haard
Jij bent als de vlam van mijn vreugdevuur
Jij bent het graan van mijn brood
Als mijn gedicht, ben jij, ben jij
Als een gitaar in de nacht
Heel mijn horizon, ben jij, ben jij
Zo, zo, ben jij

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Mag ik het over Londen hebben?

Hemelvaart 2017

Naar Londen zeilen met Hemelvaart, een aantal jaren geleden zijn we het beginnen doen. Met een boot of drie, vier, wisselende gezelschappen. Elke keer is anders, elke keer ontdekken we nieuwe dingen. Ook nu. Stof voor een stukje.

Maar mag ik het over Londen hebben, nu -amper een week later- die dynamische stad nog maar eens is opgeschrikt door gruwelijke terreur? Moeten we treuren en zwijgen, en overwegen om er niet meer te komen? Of mag ik het over het Londen hebben, over die multiculturele, bruisende stad met zoveel gezichten? Ik denk dat ik het over Londen moét hebben. Over deze stad die niet klein te krijgen is, die zichzelf opnieuw uitvindt, keer op keer.

Net zoals de tachtigjarige kunstenaar David Hockney aan wie Tate Britain een grote overzichtstentoonstelling wijdt. 60 jaar uitbundige creativiteit, dat wil ik graag zien. Nee, ik heb nog geen tickets. Met een zeilboot weet je nooit, storm, pech, misschien raak je zelfs niet in Londen.. En dus queuen we geduldig, very british indeed.

En dan is daar, temidden van indrukwekkende schilderijen, tekeningen en collages, dat verrassend video kunstwerk, The Four Seasons, Woldgate Woods. Op vier wanden telkens negen schermen met hetzelfde landschap, in elk seizoen. De beelden zijn gemaakt vanuit een rijdende auto en zuigen je traag hypnotiserend mee. De traagheid is ontroerend, de seizoenen onverstoorbaar volhardend. Alles herbegint. Altijd.

Onze tochten naar Londen zijn nooit hetzelfde. Dit keer is de zon brandend van de partij, en ontbreekt de wind. Helemaal. We tuffen lange uren.

Geen wind betekent plat water in de Thamesmonding. Zo plat dat mijn schipper in afwachting van het getij wel eens wil ankeren in plaats van Queenborough aan te doen zoals gewoonlijk. Iets voorbij Nore Sand liggen we op de eerste rij voor een magische zonsondergang.

De volgende ochtend neemt de stroom ons mee richting Londen. Onderweg krijgen we het bezoek van de politie in een zwarte zodiac. Met de vriendelijke maar besliste uitnodiging om ieder verdacht feit te willen melden op een bijzonder nummer. Ook her en der in de stad vragen affiches om waakzaamheid. De volgende dag herinnert een wandeling over Westminster Bridge aan de recente terreurdaad van 22 maart 2017. En de feiten halen mijn woorden in, afgelopen zaterdag 3 juni 2017 waren London Bridge en Borough Market het doelwit van nog meer driest terreur.

Maar stilstaan doet Londen niet. Haar skyline verandert even snel als het werk van David Hockney. Na Tate Britain gaan we richting Battersea Power Station. Deze iconische plek, in ons collectief geheugen geprent door de lp Animals van Pink Floyd, wordt aan hoog tempo verbouwd tot luxueus woonoord.

In contrast met die niet aflatende bouwwoede ligt iets verderop Battersea Park felgroen te genieten van het ongewone zomerweer. De Thames stroomt onophoudelijk, vijf uur naar zee -een kleine adempauze bij het kenteren van de stroom- en zeven uur terug.

Zoals steeds overnachten we met onze boten in Limehouse Basin Marina. Het is er goedkoper en rustiger liggen dan in St. Katharine Docks en er is een metrohalte vlakbij. De vele narrowboats die er liggen zorgen voor een boho sfeertje en je kan er ongestoord barbecuen op het ponton.

Vlakbij London Docklands. Waar in Canary Wharf, Londens tweede zakencentrum, de ene glimmende wolkenkrabber na de andere verrijst. Maar waar je ook heerlijk kan fietsen langs de Thames of op Isle of Dogs verrast wordt door leuke pleinen, een gezellige pub. Van daar kan je zelfs via een voetgangerstunnel onder de Thames door naar de overkant, naar Greenwich.

Londen blijft verrassen, blijft ons verbazen. Wij blijven gaan. Keep calm and carry on…

 

 

 

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

Daar in dat kleine café aan de haven…

Het lange weekend van 1 mei 2017

We plannen een retourtje Boulogne. Duinkerke, Boulogne en terug naar Nieuwpoort. Zaterdag en zondag zal het lekker waaien uit het zuidoosten, maandag stevig uit het zuidzuidwesten. Dat betekent ruime wind heen én terug, meer kan je als zeiler niet willen.

Omdat we zaterdag pas aan het eind van de dag vertrekken, ga ik koken op zee. Mijn oudste dochter gaf me ooit een leuk cadeau, het Kombuis kookboek van Fiona Sims. Het ziet er prachtig uit. Maar het is nogal british en niet alle combinaties overtuigen me. Maar het inspireert en dat vind ik de belangrijkste eigenschap van een goed kookboek. De visstoofpot met gremolata lijkt me ideaal om klaar te maken terwijl we naar Duinkerke varen. Ik deel jullie graag het recept, en dat was eigenlijk het plan voor dit stukje, maar toen kwam er iets tussen. Iets dat ik moet opbiechten over dit weekend… In Boulogne zijn we op de lappen gegaan…

Na een mooie zeiltocht op zondag -ideale wind en lekker veel stroom mee- komen we in  aan in Boulogne. De jachthaven ligt er verlaten bij.

Ook de stad is op een grijze zondag als vandaag doods en stil.

Zelfs de bar waar we graag een Picon au vin blanc drinken is gesloten. Een plateau de fruits de mer, ‘om mee te nemen’, we hadden er stilletjes luidop van gedroomd, zullen we hier niet vinden. En we hebben geen zin om op restaurant te gaan. Het beste wat we kunnen scoren is een kip en een kilo tomaten in het soort supermarktje dat altijd open is. Wanneer we tegen vijven de haven in lopen horen we muziek en stemmen in de bar.

Melig maar uitnodigend waait ‘Pour elle’, van Riccardo Cocciante ons vanuit de geopende deur tegemoet. We kijken mekaar aan, die gemiste Picon, waarom niet? In de niet bijster gezellige bar zit een bont gezelschap. Ze drinken champagne en het ziet er naar uit dat ze daar al een tijdje mee bezig zijn. Een getaande man biedt me wankelend maar galant zijn barkruk aan, de plastieken zak met de kip en de tomaten schuiven we er snel onder. De flamboyante waardin schenkt breed glimlachend twee stevige Picons in. Een man begint ons zijn leven te vertellen. Als vrachtwagenchauffeur voor een transportbedrijf van luxewagens als Lamborghini’s en Ferrari’s, -is het waar?- heeft hij wel wat te vertellen. Er volgt nog meer Picon, en ook champagne. Rookverbod? Daar trekken ze zich hier niets van aan, dit is hún stek. Christine -zo heet de barvrouw- zendt het ene nostalgische nummer na het andere uit haar telefoon de boxen in. De lelijke bar wordt steeds mooier. Als Samba Pa Ti inzet –j’adóre Santaná, vette knipoog- gaan we warempel dansen, geen mens kijkt er van op. We klinken ‘à l’amitié’ met deze onbekenden. ‘Vis ta vie!’ schateren ze. ‘A l’amitié!’

Het is halfnegen als we naar onze boot zwalpen. Eten moeten we doen. Ik bak de kip met uien en tomaten en weet niet meer goed of ik slapend eet of etend in slaap gevallen ben. Vaag hoor ik mijn schipper nog zeggen dat we morgen de stroom mee moeten hebben rond Cap Gris Nez,  en dat dat vroeg  opstaan wordt… En dan kantelt de kajuit…

Om vijf uur -jawel, je leest het goed- gaat de wekker. Tot mijn verbazing voel ik mij behoorlijk fris en heb geen greintje hoofdpijn. Op zee blaast zes beaufort alle vermoeidheid weg. We stuiven terug naar Nieuwpoort.

Dat receptje waar ik het over had, dat krijg je nog wel. Een volgende keer. Beloofd.

IMG_7398

 

Een lang weekend en we willen ‘weg’…

Paasweekend 2017

‘Waar gaan we naar toe?’

‘Ik weet het niet. Weg, zeker?’

Zo gaat het soms als het weerbericht weinig overtuigend is. ‘Wisselvallig, weinig wind, fris voor de tijd van het jaar’. O ja, een lichtpuntje. ‘Het blijft overwegend droog’. Overwegend.

Een strak plan voor het lange Paasweekend hebben we dus niet. Maar de vrije dagen lonken als een weather window. Aan boord zijn van onze boot is een minimum, varen vanzelfsprekend, zeilen een bonus.

En zo vertrekken we op donderdagnamiddag traag zeilend richting Duinkerke. Onderweg spit ik, na de onverkwikkelijke douanecontrole in onze thuishaven Nieuwpoort, het logboek uit, op zoek naar onze zonden van vorig jaar, lees: rode diesel tanken in een land waar je met je boot alleen rode diesel kan tanken. Het ligt ons op de maag, zo’n beetje als zeeziekte maar dan anders.

De volgende dag is ons vaarplan niet echt strakker geworden. Het Kanaal oversteken is net bezeild, laat ons dat maar doen. Pas ter hoogte van de Sandettie SW boei bij de ‘middenberm’ tussen de traffic zones beslissen we koers te zetten naar Ramsgate. Dover laten we liggen waar het ligt omdat de wind van daar komt, de Goodwin Sands laten we wijselijk links liggen. Ik heb eigenlijk niet zo’n zin in Ramsgate, verzucht dat we er al zo vaak geweest zijn, dat er niets te zien is.

Maar ik krijg ongelijk want de flinke wandeling die we er later op de dag maken brengt ons bij een stukje Ramsgate waar we niet eerder waren. En als we voorbij de Royal Temple Yacht Club komen realiseer ik me dat het vandaag drie jaar geleden is dat mijn vader overleed. En dat zijn laatste zeiltocht vooraleer een verkeersongeluk voor hem een einde aan het zeilen maakte, hem naar Ramsgate én de Royal Temple Yacht Club bracht. Dat was november 1983. We stappen er binnen en heffen het glas op hem.

Een dag later. Varen we rond Margate, de Thames monding in? Of steken we terug over naar Frankrijk, om zo een driehoekje Noordzee te varen? Voor de ene keuze zit de wind goed maar de stroming niet, voor de andere is het net omgekeerd. Er wordt ook erg weinig wind voorspeld en omdat we varen op motor niet zo fijn vinden, zitten grote afstanden er niet in.

Dover dan maar. Om het laagste laagwater in Ramsgate voor te zijn, vertrekken we ontieglijk vroeg, ik word er kregelig van. Het grauwe weer helpt mijn humeur ook niet meteen vooruit. En datgene waar ik naar uitkijk, dicht langs de beroemde witte kliffen de haven van Dover aanlopen, valt ronduit tegen. De wolken sluiten de gelederen, de zon raakt er niet door, de kliffen zijn niet wit maar grijs. De hemel is als lood. Dat we intussen aan een royale 7 knopen zeilen en mijn schipper met volle teugen geniet, laat me koud. Ik wil zon. En witte kliffen. Geen grijze.

Maar als we later goed afgemeerd liggen in de tidal marina geeft een  verkwikkende douche nieuwe energie. Terwijl we de wandelschoenen aantrekken wringt de zon zich aarzelend van tussen de wolken. Stevig stappend keert mijn goed humeur terug en als we boven op de beroemde kliffen staan is ze daar helemaal, de zon! Met haar magische licht tovert ze het grijze water fel turkoois en gaan de kliffen zo wit schitteren dat het bijna pijn aan de ogen doet.

There’ll be bluebirds over
The white cliffs of Dover
Tomorrow
Just you wait and see

Een bluebird? Ik dacht dat er alleen maar meeuwen over de witte kliffen van Dover zweefden..

Bij de al even witte vuurtoren van South Foreland doen we ons onder een stralend lentezonnetje te goed aan tea for two and scones with jam and clotted cream. Het popperige theehuisje van Mrs. Knotts is een juweeltje. Ik geniet met volle teugen van dit slecht geplande weekend.

De volgende dag zeilen we van Dover naar Duinkerke en op Paasmaandag terug naar Nieuwpoort.

O ja, nog even dit. Op Pasen -we zijn een mijl buiten de haven van Dover- komt een donkere boot met hoge snelheid recht op ons af gevaren. Niet nóg een controle, toch? Border Force staat er op de boot… Ze roepen ons op, stellen vriendelijk een paar routine vragen en sluiten wuivend af met een olijk ‘Enjoy your sailing today!’

Engelsen en zeilers, dat gaat goed samen…

 

Witte donderdag, rode diesel

Donderdag 13 april 2017. Witte donderdag.

Het paasweekend ligt voor de boeg. Boodschappen zijn gedaan, weerberichtjes binnengehaald, water en fuel getankt. We hebben nog maar net de laatste plooibox aan boord gezet of drie mannen in het zwart, mét reddingsvest en aktentas komen het ponton op gelopen, onze richting uit.

Controle van de douane… Identiteitspapieren, vlaggenbrief, aankoopbewijs, onze papieren zijn in orde.

Maar als een van de twee dieselcontroleurs een staal uit onze tank tegen het licht houdt, schudt hij meewarig fronsend het hoofd. Met oprechte interesse bekijkt Las samen met hem de brandstof en vraagt bezorgd of er niet te veel prut in zit, de mogelijke vervuiling van onze dieseltank is iets waar mijn schipper wel eens over piekert.

“Vervuiling?” De controleur schudt nu nog meer het hoofd, “Te róód, ja!”. Van zorgeloze zeilers voelen we ons veranderen in opgejaagd wild. Te rood? Uiteraard, vorig jaar vaarden we zes weken in Schotland en hebben daar rode diesel getankt. Daarvan kan hier en nu nog wat in onze tank zitten, ja…

“Mag niet”, klinkt het formeel. “In strijd met de wet.”

Er bestaan twee soorten diesel, de rode waar de staat minder accijnzen op heft, is voor beroepslui, de witte, de dure dus, voor alle anderen. In Engeland hebben ze die Europese richtlijn niet willen aanvaarden, zij gunnen hun pleziervaart nog goedkopere brandstof. Meer zelfs, in hun jachthavens is enkel rode diesel te krijgen.

Furfural is de kleurstof die rode diesel rood maakt. Een hardnekkig goedje dat -eenmaal in je brandstoftank- tot meer dan twee jaar zichtbaar blijft. Ook al tank je bij terugkeer in eigen land volgens het boekje witte diesel, tankbeurt na tankbeurt.

Ik denk terug aan de plaatsen waar we die ‘foute’ diesel haalden. Afgelegen plekken waar enkel boeren en vissers wonen. “En als daar nu geen witte diesel te krijgen was?” probeer ik nog. “Dan heeft u niet hard genoeg geprobeerd, mevrouw.” En hij haalt er statistieken bij. “Op 100 mensen die naar Engeland varen, slagen er 90 in om zelfs dáár (minachting) witte diesel te bemachtigen, waarom kunnen die andere 10 dat niet?” Ik begin me vooral zorgen te maken over die 10. Leven ze nog?

Ik herinner me een passage uit onze vaargids met het advies om in een afgelegen zeilgebied als de Shetland eilanden altijd water en fuel te nemen waar dat mogelijk is. Goed zeemanschap dus. Omdat we ook weten dat we bij thuiskomst in principe geen rode diesel meer in onze tank mogen hebben -volstrekt onrealistisch dus-, hebben we elk bonnetje bewaard. In ons logboek staan onze tankbeurten, wit en rood, en motoruren. Dat maakt weinig indruk. Ons staal -het doet me denken aan het plasje bij het medisch onderzoek in de lagere school- zal naar Leuven gaan voor verder onderzoek. “In België heb je je aan de Belgische wetten te houden, zo is dat, informeert de controleur ons nog. Engelsen rijden bij ons toch ook niet links?”. Of we dan met onze rooie diesel ook zo’n gevaar betekenen, vraagt Las laconiek.

En wat adviseren de heren van de douane dan wel als je in Engeland uit noodzaak rood hebt getankt en de Belgische wateren terug binnen vaart? De controleur haalt de schouders op, leegpompen zeker? Dat is duidelijk zijn probleem niet. 400 liter brandstof weggooien? Waar en hoe doe je dat? En dan je tank laten reinigen, brandstoffilters vervangen? “Sorry, mevrouw, wij doen enkel ons werk.”

We vernemen dat we een boete tot duizend tweehonderd vijftig euro riskeren. Duizend tweehonderd vijftig euro. De man spreekt het bedrag langzaam kauwend uit, zijn collega sust dat het misschien wel zo’n vaart niet zal lopen…

Ten slotte mogen we nog een klein staaltje van onze diesel houden, in een verzegeld zakje weliswaar…

Drie dagen later is het Pasen. We klinken met een glaasje. Niet wit, niet rood, maar licht rosé…

Wordt vervolgd. (of misschien niet?)

Bakken aan boord, deel twee

Aan boord van een zeilboot is er weinig zo beperkt houdbaar als brood. Maar er gaat ook niets boven ovenvers brood. Alle broodvervangers, van de lekkerste crackers tot de heerlijkste muesli, gaan na een tijdje vervelen. Vers brood verveelt nooit.

Net voor onze zeilvakantie van vorige zomer speelde ik dan ook met het idee om nog snel snel een broodbakmachine te kopen. Ik had het hier en daar gelezen. Op het internet. Zo’n blitse broodbakmachine. Je wipt er een broodmix in zoals dat heet, voegt water toe en het ding doet de rest. Maar dan begint het. Die toestellen zijn toch omvangrijker dan mij lief is, ze nemen meer plaats in dan een paar stevige zeillaarzen maat 43. En ze hebben stroom nodig… Zo’n broodje is niet in één twee drie gebakken, dat duurt wel even. Afhankelijk van een van de talrijke bakprogramma’s. Tot 17 toe, glutenvrij programma niet meegerekend… Als je walstroom hebt, geen probleem, maar om onze niet zo geluidsvriendelijke generator uren te laten brommen in een idyllisch baaitje omwille van een broodje, ik weet het zo nog niet. Ik laat het idee voorlopig varen. We vertrekken op vakantie zonder broodbakmachine.

Blijkbaar had ik al eerder aan brood bakken gedacht want in een van de kastjes aan boord ontdek ik nog een vergeten pakje broodmix. En na het recente, goed gelukte cake experiment op zee, heeft de bakkriebel mij te pakken. Ik doe alles precies zoals op de verpakking vermeld, maar hoe lang het deeg daar ook staat, er gebeurt niets. ‘Verdubbelen in omvang’ al helemaal niet. Tegen beter weten in schuif ik de deegklomp de oven in. Na drie kwartier haal ik er iets uit dat nog het meest lijkt op een vuilgrijze rotsblok. Een multigranen rotsblok. Als ik de verpakking er nog eens op na lees, zie ik dat de vervaldatum van mijn broodmix al maanden overschreden is. Knorrig kegel ik de deprimerende kei overboord. Nog nooit zo snel iets zien zinken. Zelfs de meeuwen negeren het.

Een week of twee later doen we boodschappen in een hele grote supermarkt in Lerwick, Shetland. Een uitgebreid assortiment bakdingen, broodmix, bloem, gist, nootjes en graantjes lacht me toe… Het vorige misbaksel ligt nog op mijn maag en geen betere manier om dat te verteren dan een herkansing. De rare broodmix in gedachten kies ik simpelweg voor bloem en gedroogde gist. En voor een bakblik…

Varend waag ik me aan poging twee. Een hoopje bloem op het aanrecht, gist, water, een snuifje zout en kneden maar. Ik krijg het er warm van. De lekker elastische deegbol gaat in een kom met een schone handdoek er over. En hoera, het deeg rijst zoals het moet rijzen. Goed begin.

Na een uur of wat kneed ik het deeg nog eens door en leg het voorzichtig in het bakblik. Opnieuw rijst het deeg, ik word er helemaal vrolijk van. En nu de oven in. Na drie kwartier ruikt het zalig in de kajuit. Mijn broodje is gebakken. Glunder glunder.

Bruin brood, wit brood, ik probeer het de rest van de vakantie nog een paar keer. Het blijft iets magisch hebben, dat ritueel van kneden, rijzen, kneden, rijzen, bakken. Er kruipt tijd in, dat is waar. Maar varend op zee heb je tijd zat en precies het hebben van die tijd, het je kunnen permitteren van geduldig op een rijzend broodje te wachten geeft een prettig gevoel van luxe. Die hoop bloem eigenhandig in mijn klein kombuisje en met een eenvoudige gasoven veranderen in smakelijke boterhammen, -mijn schipper eet ze zelfs zonder beleg, zo lekker vindt hij ze- geeft me zo veel voldoening dat ik voorlopig die broodbakmachine niet hoef…

 

 

 

 

Van vlaggetjes en superjachten

Zaterdag 10 februari 2017

Vandaag vindt de winterontmoeting van de Breehornzeilers plaats, ‘ons Hollands clubje’ zoals ik ze voor de gezelligheid noem. Dit keer gaat de bijeenkomst van Breehorn-eigenaren door in Vollenhove, in een eeuwenoud landgoed, het statige Oldruitenborgh.

Niet meteen een omgeving voor zeilers zie ik jullie denken. Maar het bootgehalte ligt hier in Vollenhove hoger dan je zou denken. Daarover straks meer.

In de voormiddag gaat de jaarvergadering door. Ook krijgen we een nieuw clubvlaggetje. Fijn is dat het ontwerp ervan even toegelicht wordt. De blauw en witte strepen staan voor zee en golven, het gele vlak voor de zandbank Breehorn waar onze boten naar genoemd zijn en daarop het logo van de werf. De Breehorn zandbank of plaat ligt in het Amsteldiep, Noord-Holland, niet meteen vertrouwd vaarwater voor ons.

Na de lunch ruilen we de grandeur van het landgoed in voor nog veel meer grandeur. Want de Breehornzeilers hebben voor deze winterontmoeting een bezoek geregeld aan de bedrijven Rondal en Royal Huisman Shipyard. Rondal maakt masten, gieken, winchen, luiken en meer fraais voor superjachten, Royal Huisman Shipyard bouwt die superjachten.. En zo kunnen we eens binnengluren in de wondere wereld van de mega-jachten voor superrijken. De oh’s en ah’s zijn niet van de lucht. Alles is zo buitenproportioneel dat het voor ons, met onze bescheiden jachtjes, haast onwerkelijk is. Een mast, zes keer zo lang als onze hele boot. Kostprijs van al dat moois een veelvoud van onze bootjes… per lopende meter welteverstaan. Indrukwekkend is een understatement. ‘If you can dream it, we can build it’, luidt het bij Huisman. Ja, ja..

Bijzonder vind ik de loods waar een volledig interieur wordt opgebouwd. Dit gebeurt nog niet in het schip zelf maar alles is wel helemaal op maat. Er staat dus een fictief stuk schip met daarin alles wat uiteindelijk in het superjacht komt. Op alle onderdelen zie ik kleine labels met codes. Wat moet dit strak georganiseerd zijn. Overal mogen we rondkijken, onze vragen worden uitgebreid beantwoord, maar foto’s nemen mag niet. Gelukkig is er nog altijd internet…

Bij de borrel wordt er nog wat nagedroomd. En ja, ook dit jaar was er de fotowedstrijd. Werd mijn foto vorig jaar de favoriet, dit keer haalden mijn inzendingen de eindselectie niet. De winnende foto werd ingezonden door de eigenaar van een Breehorn 41 die afgelopen zomer een prachtige reis naar de Azoren maakte.

Pittig detail, zijn boot heet Playmobil… Vergeleken met de superjachten van Huisman lijken onze boten inderdaad wel speelgoed. Maar wij koesteren ze. En nemen zelfs de moeite om -zowat halverwege het zeilseizoen- een uit de naden gewaaid clubvlaggetje liefdevol de nodige herstelling te geven. Intussen zit hier in Vollenhove de winterontmoeting er op, zorgvuldig vouw ik ons kersverse clubvlaggetje op en stop het in mijn handtas. Dat kan binnen enkele weken het want in. En naar verluidt zou het van een sterkere stof gemaakt zijn dan voordien. Het geluk zit in kleine dingen…

 

Bakken aan boord

2 februari, Lichtmis. Er is geen vrouwtje zo arm, of ze maakt haar pannetje warm.

De zes donkere weken van het jaar, drie vóór en drie na Kerstmis, hebben we al even gehad. Heel langzaam krijgen we dag na dag een beetje meer licht. De traditie wil dat je met Lichtmis pannenkoeken bakt, het zou je verzekeren van voorspoed voor de rest van het jaar. Dat geloven we graag en bakken is gezellig zonder meer. Zeker als het buiten guur en somber is. Wat het in ons klimaat zelfs soms in de zomer is…

15 juni 2016. Scarborough. We zijn enkele uren geleden vertrokken voor een tocht naar Wick, het noorden van Schotland. Bij aankomst in Scarborough, twee dagen eerder, was er dikke mist geweest, het leek wel herfst. Een dag later was de hemel strak blauw, de zon straalde. En nu, nog een dag later, lijkt die zomer alweer voorbij. Alles is grijs, het water, de lucht, de boot, wij. Massa’s mijlen liggen voor ons. De miezer gaat over in regen. Dat gaan wel hele lange mijlen worden denk ik dan. Tijd voor iets leuks. ‘Wat dacht je van thee en cake?’, vraag ik mijn schipper. Opklaring!

Dan besef ik dat ik wel wat voortvarend ben. Cake? Bakken? Aan boord? Ik heb niet eens een bakvorm! Geen weegschaal. Geen mixer, en zelfs geen deegkom. Maar ik heb eitjes, suiker, bloem en boter. En appels en rozijntjes.

En ik heb wel meer. Een pannetje met metalen handvat, waarom niet, dat kan zó de oven in. En een maatbeker waar met gekleurde streepjes ook gewichten van bloem en suiker op aangegeven staan. Een slakom kan dienst doen als deegkom…

Ik gok een beetje voor het gewicht van de boter en roer er met een vork 200 gr suiker door. Dan gaan er drie eitjes bij, één voor één. Ten slotte komt er 200 gr zelfrijzende bloem bij.

Nu nog de rozijnen en de in stukjes gesneden appels. Ik vet de binnenkant van de antikleefpan in en bestuif met bloem. De hoeveelheid deeg past wonderwel in de pan! Tenminste, nadat mijn schipper om een proevertje is komen bedelen. Bij ons wordt geen cake gebakken zonder dat er wat gesnoept wordt van het deeg. Onweerstaanbaar vindt hij!

Mijn gasoven aan boord is voorzien van een piepklein schermpje waarop je de temperatuur kan aflezen. Ik laat voorverwarmen tot de wijzer ongeveer op 180°c blijft hangen. Om de cake niet te laten aanbranden, zet ik de pan zo hoog mogelijk. Na ongeveer een half uur ziet het er veelbelovend uit en ruikt het heerlijk in de kajuit… Als ik in midden van de cake een houten tandenstoker prik, komt die er droog uit. Klaar!

Voor helemaal afkoelen is er geen geduld… Een dik plak lauwe cake, een kopje thee, de ideale troost op een regenachtige dag op zee…

Betsy

Elke boot heeft een verhaal. Elke boot vaart haar verhaal. Sommige verhalen krijgen zeeën van aandacht en verdienen die ook. Maar er zijn heel gewone zeilers die heel straffe dingen doen, al heten ze niet Armel Le Cléac’h en winnen ze geen Vendée Globe. Hier komt het ongelooflijke maar waar gebeurde verhaal van Guy Waites en Betsy. Het diende zich afgelopen zomer zo toevallig aan, dat ik niet eens doorhad wat een verhaal het was. Ik begin bij het begin…

13 juni 2016, Scarborough. Een piepklein jachtje trekt onze aandacht, niet alleen vanwege haar felrode kleur, maar ook omdat ze een beetje lijkt op een Pandora 22, het eerste zeiljachtje van mijn vader. Op een avond zeilt ze uit, uren later peddelt haar schipper haar geduldig terug naar haar ligplaats. De wind is gevallen, ze heeft geen motor…

Lerwick, dik twee weken later. We varen de overvolle haven binnen, moeten afmeren als derde langszij, niemand aan boord. Een man haast zich van op het ponton, klauterend over de twee boten, muts en kap diep over het hoofd getrokken, om ons te komen helpen. Terwijl we in de weer zijn met de lijnen zie ik een eindje verderop plots het rode bootje uit Scarborough, mijn blik gaat terug naar onze helpende zeiler en ik herken hem als haar schipper. He you! Yes, me, grijnst hij. Later bij een glas wijn kletsen we de avond weg. Wij steken onze bewondering niet onder stoelen of banken, hij blijft er bescheiden bij. Over de plannen met zijn Betsy -zo heet het jachtje- blijft hij vaag. Betsy is een Corribee 21, 6,30 m lang. Ergens op een hoekje papier noteer ik de gegevens van zijn blog. Ik kan er een link naar een tracker vinden, zegt hij. Elke 24h stuurt hij een positie, als geruststelling voor familie en vrienden. Een dag later blijken ze vertrokken. In stilte.

13 juli, Arbroath. Ik zit te wachten op de havenmeester die de geblokkeerde wasmachinedeur gaat openmaken. In die wasmachine zit mijn was, dus ja.. Het clubhuis is niet meer dan een verbeterde container, er staat een tafel en stoelen en op een kastje ligt een stapel boeken, de zeilersbibliotheek… Mijn oog valt op een beduimeld boek, de biografie van Ellen MacArthur, de illustere zeilster. Ik blader het door tot een foto mijn aandacht trekt. De nog piepjonge Ellen op een helrood bootje, de Iduna. Dat ranke jachtje, waarmee ze als achttienjarige solo rond Engeland zeilt, is een Corribee 21.

Een Corribee 21? Wacht eens even… Guy Waites! Betsy! Ik vind het blaadje met de link naar zijn blog terug en klik door naar zijn positie. Wow, hij vaart al ten noorden van de Hebriden, zou hij solo een rondje Engeland gaan doen?

Groot is mijn verbazing als ik enkele dagen later zie hoe de blauwe stippen op de tracker zich aaneenrijgen tot een snoer dat ver ten westen van Schotland reikt. Varen zij nu gewoon de Atlantische Oceaan op? Vanaf dat moment kijk ik bijna dagelijks naar de tracker. Ik begin ook de blog te lezen, een gedetailleerd verslag van vier jaar minutieuze voorbereiding. Guy is niet aan zijn proefstuk toe, eerder zeilde hij de oceaan over met een Contessa 26, Red Admiral.

Dag na dag kruipen de blauwe stippen naar de overkant. Op een dag is er niet enkel een blauwe stip bijgekomen, maar ook een envelopje. Een korte boodschap licht op. Betsy and I were capsized today, we are both OK and will continue once we have ridden out this storm. Jeetje! In de komende dagen volgen nog meer boodschappen, de ene storm na de andere raast over het tweetal. Soms vorderen ze tergend langzaam, soms wijkt het bootje helemaal van haar koers af, er komt een bericht dat de voorraad zoet water niet lang meer reikt. Het snoer van blauwe stippen, de envelopjes, het lijkt wel een thriller!

Elke morgen bij het opstaan, kijk ik als een bezorgde mama hoe het de twee vergaat en eind augustus, na 56 dagen op zee, blijkt kleine Betsy aangekomen in Newport, US! Guy Waites zeilde solo de noordelijke Atlantische Oceaan over, in een bootje van 6,30m, zonder motor, zonder geavanceerde apparatuur…

Zo begon vier jaar geleden dit verhaal dat als een rode draad onze zomer doorkruiste…

En het verhaal gaat verder. In het voorjaar zeilt hij zijn Betsy terug naar Engeland. Zomaar even weer die hele oceaan over. En intussen smeedt hij nieuwe plannen met een andere boot… Of hij met opzet weer een rode boot gekozen heeft, vraag ik hem. Nee, niet echt.  Red Admiral was rood. Betsy was wit toen hij ze kocht, maar onder haar witte verf ontdekte hij toevallig oude rode gelcoat. En Showtime is gewoon toevallig ook rood. Toeval bestaat niet, denk ik dan…

Hoog en droog

Vier jaar geleden rond deze tijd van het jaar mailde mijn oudste zus Sandra mij een gedicht. Christmas at Sea van Robert Louis Stevenson. Dat ze het wel iets voor mij vond, zo schreef ze. Robert Louis Stevenson, die kennen we vooral (of alleen?) van Treasure Island, een zeeroversroman van dik honderddertig jaar oud, zeg maar de oerversie van Pirates of the Carribean. Stevenson, geboren in Edinburgh, Schotland, was niet alleen een begenadigd schrijver maar ook -ondanks zijn zwakke gezondheid- een avonturier. Hij leefde enkele jaren in Samoa, in de Stille Zuidzee. De Samoanen noemden hem Tusitala, wat zo veel wil zeggen als verteller van verhalen. Hij was amper 44 toen hij stierf.

Christmas at Sea gaat niet over piraten, en ook niet over tropische eilanden. Het beschrijft de mijmeringen van een bemanningslid aan boord van een zeilschip, opkruisend voor de kust tegen een ijzige wind in. Met Kerstmis… Het gaat over het barre zeeleven, maar ook over afscheid nemen, en ouder worden. Over dingen die voorbij gaan.

De kalkoen is nog maar net verteerd, glanzende kerstballen weerspiegelen het knetterend houtvuur, het is warm in huis. Bij het lezen voel ik de bittere kou, ik nestel me in mijn dekentje.

Christmas at Sea inspireerde ook Sting voor een lied. Je vindt het terug op If on a Winter’s Night, een nogal aparte cd. Ver weg, de Message in a Bottle van The Police. De cd is een eigenzinnige mengeling van winters getinte nummers met invloeden uit de Middeleeuwen, Barok, Angelsaksische folk. Niet erg toegankelijk wegens nogal somber en donker. Maar misschien moet je gewoon eens luisteren of je het wat vindt… Winters klinkt het zeker.

De afgelopen jaren brachten we de dagen van oud op nieuw door op de boot. Dit jaar niet. Eind november gingen we uit het water. En gaan er pas in maart terug in. Deze winter staat ons schip hoog en droog…

img_5398

img_5403

img_5406

CHRISTMAS AT SEA

The sheets were frozen hard, and they cut the naked hand;
The decks were like a slide, where a seamen scarce could stand;
The wind was a nor’wester, blowing squally off the sea;
And cliffs and spouting breakers were the only things a-lee.

They heard the surf a-roaring before the break of day;
But ‘twas only with the peep of light we saw how ill we lay.
We tumbled every hand on deck instanter, with a shout,
And we gave her the maintops’l, and stood by to go about.

All day we tacked and tacked between the South Head and the North;
All day we hauled the frozen sheets, and got no further forth;
All day as cold as charity, in bitter pain and dread,
For very life and nature we tacked from head to head.

We gave the South a wider berth, for there the tide-race roared;
But every tack we made we brought the North Head close aboard:
So’s we saw the cliffs and houses, and the breakers running high,
And the coastguard in his garden, with his glass against his eye.

The frost was on the village roofs as white as ocean foam;
The good red fires were burning bright in every ‘long-shore home;
The windows sparkled clear, and the chimneys volleyed out;
And I vow we sniffed the victuals as the vessel went about.

The bells upon the church were rung with a mighty jovial cheer;
For it’s just that I should tell you how (of all days in the year)
This day of our adversity was blessed Christmas morn,
And the house above the coastguard’s was the house where I was born.

O well I saw the pleasant room, the pleasant faces there,
My mother’s silver spectacles, my father’s silver hair;
And well I saw the firelight, like a flight of homely elves,
Go dancing round the china-plates that stand upon the shelves.

And well I knew the talk they had, the talk that was of me,
Of the shadow on the household and the son that went to sea;
And O the wicked fool I seemed, in every kind of way,
To be here and hauling frozen ropes on blessed Christmas Day.

They lit the high sea-light, and the dark began to fall.
“All hands to loose topgallant sails,” I heard the captain call.
“By the Lord, she’ll never stand it,” our first mate Jackson, cried.
…”It’s the one way or the other, Mr. Jackson,” he replied.

She staggered to her bearings, but the sails were new and good,
And the ship smelt up to windward just as though she understood.
As the winter’s day was ending, in the entry of the night,
We cleared the weary headland, and passed below the light.

And they heaved a mighty breath, every soul on board but me,
As they saw her nose again pointing handsome out to sea;
But all that I could think of, in the darkness and the cold,
Was just that I was leaving home and my folks were growing old.

By Robert Louis Stevenson (1850-94).